Zo dun ben je toch niet? (over stereotypen en nuances)

Ik was bezig een kennisbank te creëren.

Je kent het wel: Zo’n kopje in de menubalk dat stiekem een hoop basisinformatie bergt wanneer je daar op klikt.

à la

Wat is een eetstoornis?
Welke eetstoornissen zijn er?
Waar vind ik hulp?

Dat moest ik ook.
Of, nou …

Zoiets.

Ik wilde natuurlijk niet gewoon herhalen wat overal op het internet al te lezen is. Dat zou saai zijn. Dus, hup, daar ging ik: Opzoek naar wat YouTube-filmpjes om mijn teksten aan te vullen.

Voor mijn verhaal over anorexia had ik zo genoeg gevonden.

Ik vond een interview met een jongen:

een meisje:

een vrouw:

Keuze genoeg.

Daarna werd het opeens akelig stil.

Ik wist dat natuurlijk wel.

Natuurlijk wist ik dat anorexia, de minst voorkomende eetstoornis, volop wordt uitgelicht terwijl er over de meest voorkomende eetstoornis, eetstoornis nao, niets te vinden is.

Of, nou …

Een documentaire:

Toen ik zelf actief naar herkenning op het internet zocht zag ik meermaals meiden daarover hun frustratie uiten. Zoiets als onder dit blog, bijvoorbeeld, toen het programma Tot op het Bot werd aangekondigd.

Anorexia? Nieeeet……had ik nou niet verwacht, daar hoor je al bijna nooit wat over. Ik vind het zwaar irritant dat er wéér een serie over Ano wordt gemaakt, en begrijp me niet verkeerd…het is ook een erge ziekte waar veel mensen van op de hoogte gesteld moeten worden, maar wanneer komt boulimia of nao dan?

Hoera, weer iets over anorexia. Nee, begrijp me niet verkeerd, ik vind het prima als er documentaires gemaakt worden over anorexia, maar hee, ik zou ook eens wat over boulimia willen zien. Maar ja, anorexia zal wel meer entertainen dan verhalen over dat hopeloze gevoel wanneer je wéér naar de supermarkt rent, en de schaamte wanneer je met een mandje vol troep bij de kassa staat, om vervolgens naar huis te racen om daar alles in no time op te eten en weer uit te braken.

En, toch ….

“Ik hoor me omgeving al zeggen ‘ach wat zielig’ en ‘gelukkig valt het bij jou wel mee’ terwijl ik dan elke avond huilend voor het toilet me eten uit kotst om dan weer te beginnen met een zak chips.”

Het raakte me, om de enorme invloed die het heeft.

Ik leg het je uit:

Wanneer je structureel een homogeen beeld aan mensen laten zien; Een beeld dat weliswaar een kern van waarheid bevat, maar dat óók niet de volledige waarheid dekt. En wanneer de gemiddelde Nederlander niet dagelijks met deze groep mensen in contact komt.

Ja, dan krijg je dit:

Dan ontstaat er een stereotype.

Dan denken mensen dat dát beeld in de media is wat een eetstoornis is en zijn mensen oprecht verbaasd wanneer iemand (met heel veel moeite) opbiecht een eetstoornis te hebben en

  • niet zo veel ondergewicht heeft als verwacht
  • tóch luncht
  • tóch een koekje eet
  • of een jongen is

Dat merkte ik zelf ook.

Ik besloot ooit eens mijn eetstoornis op school bespreekbaar te maken.

Ik zat in therapie en deed mijn best om voldoende te eten, maar het bleef lastig om dit alles te combineren.

Doodzenuwachtig was ik.

En toen?

Nadat ik mijn verhaal had gedaan?

“Huh? Een eetstoornis? Jij? Zo dun ben je toch helemaal niet?”

Ik schaamde me kapot.

Aan de ene kant omdat ik een eetstoornis had en daarvoor om hulp moest vragen. Aan de andere kant omdat mijn eetstoornis, blijkbaar,  niet voldeed aan het beeld dat hij had.

Het beeld dat mij ook achtervolgde.

Want, vergeet niet: Niet alleen de directeur had last van dat stereotype. Ik ook. Ik kende immers ook geen lotgenoten in het wild die mijn beeld konden nuanceren.

En stereotyperen doen we allemaal.

Dat zit nu eenmaal in onze natuur.

“Om te begrijpen hoe stereotypering ons handelen beïnvloed moeten we terug naar de oertijd, toen we nog niet zoveel hersenen hadden als nu. Wel hadden we toen al twee amygdala: amandelvormige kernen, vlakbij onze oren. Deze amygdalae – we hebben ze nog steeds – leggen verbanden tussen informatie die van verschillende zintuigen afkomstig is en koppelt deze aan emoties. De reactie van een amygdala op situaties gebeurt vaak snel en volledig automatisch. Kortweg, aam amygdala maakt dat we reflexmatig reageren op nieuwe, onzekere situaties (Goleman, 1996). We kennen drie soorten reflexen die ons door de oertijd hebben gesleept: vluchten, vechten of vrijen. Als we iets of iemand tegenkwamen dat of die we als bedreigend beschouwden, dan vluchtten we. Stonden we oog in oog met een onbekende maar potentiële concurrent, dan vochten we. En zagen we iemand die sterk op ons leek, dan probeerden we ons voort te planten”

Cristel van de Ven, terug naar de oertijd om stereotyperen te begrijpen, tijdschrift conflicthantering, nummer 1, 2015

Zie je dat?

Zie je wat daar staat? Als we iets of iemand tegenkwamen dat of die we als bedreigend beschouwden, dan vluchtten we.

Toen.

Toen er nog écht gevaar dreigde.

Of, nou …

Niet alleen dat iets of dat iemand.

We verdeelden de mensen, dieren en dingen die we tegenkwamen in categorieën en schreven de eigenschappen van een enkel lid of enkele leden aan de complete groep toe.

We generaliseerden.

Werd Piet aangevallen daar een leeuw? Oké, beter niet meer in de buurt komen van leeuwen. Leeuwen zijn gemeen. Ging Truus dood door het eten van een paddenstoel? Oké, prima, geen paddenstoelen meer.

Nu kun je dat bij leeuwen en paddenstoelen prima doen.

Heel anders wordt het natuurlijk wanneer het mensen betreft. Wanneer je iemand die een gevulde koek van een schaal pakt aanspreekt omdat je denkt dat hij of zij dat niet mag eten overdag (vanwege de ramadan) of iemand met een eetstoornis verbaasd aankijkt omdat hij of zij niet zo dun is als in die documentaire op tv.

Zo dun ben je toch niet?

Het is verbazend hoe één opmerking het voor elkaar kreeg om mij (bij wijze van) terug de klauwen van de eetstoornis in te lokken.

Ik voelde me een aansteller. Want, ik was blijkbaar niet zó dun. Ik voelde me bedrogen.  Want, zie je wel: Ik zag er toch normaal uit? Wat zeurde mijn arts nou? Ik was helemaal niet zo gevaarlijk bezig als zij beweerden.

En, toch …

Hoeveel pijn het ook deed. Ik moet er óók niet aan denken dat ik bij iedere boom die ik hier in de straat tref moet nadenken over of ik daar wel veilig lang kan passeren.

Dus, dan blijft er eigenlijk maar een optie over:

Mensen helpen te nuanceren.

Ik kan er niet voor zorgen dat mensen stoppen met stereotyperen. Ik kan er ook niet voor zorgen dat programmamakers meer aandacht aan de andere eetstoornissen besteden. Ik kan je alleen helpen jouw beeld te nuanceren door jou te laten weten dat iemand met een eetstoornis écht niet per definitie extreem dun is, van het vrouwelijke geslacht is en niet of nauwelijks eet.

Dat beeld op televisie?
De getallen die daar of in een tijdschrift genoemd worden?
De before– en afther foto’s?

Ze tonen hooguit het halve verhaal.

Het is net als met een wrat.

Dat uitstulpsel zie je.
Het daadwerkelijke virus dat het veroorzaakt niet.

Zelfs al zou je dat met je camera willen.

En ik hoop dat je dat, als je in zo’n ongemakkelijk moment zit, durft te verspreiden. Want, hoe cliché ook: Zo’n opmerking zegt meer over de persoon die hem maakt dan over jou.

6 Comments

Geef een reactie